Dan beginnen jullie pas helemaal ach en wee te roepen. ‘Ooooh, Venitsjka! Ooooh, primitieveling!’ ‘Nou en! Dan ben ik maar een primitieveling’, zeg ik. En dan breek ik ons gesprek af. ‘Dan ben ik maar een primitieveling!’ En ik geef geen antwoord meer op die vragen van jullie. Ik ga lekker zitten, ik klem m’n koffertje tegen me aan en ik ga naar buiten kijken. Zo. Dan ben ik maar een primitieveling!’ Maar jullie zaniken door: ‘Wat heb je? Ben je boos?’

Gisteren ben ik blijkbaar in de één of andere portiek op de trap gaan zitten, van beneden gerekend was het de veertigste tree. M’n koffertje hield ik dicht tegen me aangeklemd – zo ben ik simpelweg in slaap gevallen. Nee, daar heb ik niet de smoor over in. Maar ’t is dit: ik heb net uitgerekend dat ik van de Tsjechovstraat tot aan deze portiek voor maar liefst nog zes roebel heb gedronken – maar wat heb ik dan gedronken en waar? En in wat voor volgorde? Heeft de drank een heilzame werking op me gehad of een slechte? Dat weet geen mens en niemand zal het ooit te weten komen.

Meer Moskou op sterk water